Duurzaam toerisme, circulaire economie, regeneratief toerisme, degrowth, doughnut economics: de afgelopen jaren zijn talloze concepten geïntroduceerd om toerisme toekomstbestendig te maken. Maar wat betekenen deze termen eigenlijk? Hoe verschillen ze van elkaar? En hoe kunnen ze in de praktijk bijdragen aan een echte transitie?
Hier heeft het project ‘Transitional Tourism: Rethinking Tourism in an Age of Systemic Change’, geleid door Ko Koens, lector New Urban Tourism, het afgelopen jaar samen met partners Paradise Found en Ginder naar gekeken. Het eindrapport biedt voor het eerst een helder overzicht van de verschillende perspectieven op de transitie van toerisme. Niet om nog een buzzword toe te voegen, maar om de onderliggende processen en keuzes zichtbaar te maken die nodig zijn voor een structurele verandering in toerisme.
Traditionele duurzaamheid
Om te begrijpen waar al die nieuwe concepten vandaan komen, is het nuttig kort stil te staan bij het verleden. Het triple-bottom-line denken – people, planet, profit – was ooit bedoeld als aanzet tot systeemverandering. Maar het werd snel gereduceerd tot een balanceer-act waarbij economische groei vrijwel altijd aan het langste eind trok. Winst mocht de kosten voor mens en natuur compenseren, zolang er maar enige ‘balans’ was. Zo werd een radicale denkwijze een rapportageformat.”
“Dat heeft geleid tot een groeiende behoefte aan concepten die verder gaan dan traditionele duurzaamheid, zoals regeneratief toerisme en degrowth, maar ook het versterken van brede welvaart of circulariteit via toerisme”, legt Ko uit. “Inmiddels zijn er zo veel van dergelijke concepten dat het lastig wordt om door de bomen het bos te zien.” Het onderzoeksrapport helpt duidelijkheid te scheppen door acht verschillende benaderingen met elkaar te vergelijken.
Transitie als systeemverandering
Het rapport beschrijft acht transitieve benaderingen: de Sustainable Development Goals (SDG’s), brede welvaart, equitable tourism, circulair toerisme, degrowth, regeneratief toerisme, destination stewardship en doughnut economics. Deze benaderingen delen een overkoepelend idee: transitional tourism. Dat gaat niet om het optimaliseren van het huidige systeem, maar om het vervangen van een dominant, onhoudbaar wereldbeeld door een nieuw. Door het systeem zelf te herzien: governance, marktstructuren, consumptiepatronen en de manier waarop we naar groei kijken.
Zes kernelementen definiëren dit transitieve denken. Ten eerste: het heroverwegen van de rol van economische groei en dit niet langer als vanzelfsprekend uitgangspunt nemen. Ten tweede: toerisme zien als onderdeel van een complex, levend systeem in wisselwerking met natuur en samenleving. Ten derde: een ecocentrische blik waarbij de natuur intrinsieke waarde heeft, los van economisch nut. Vervolgens een plaatsgebonden aanpak die vertrekt vanuit de behoeften van de lokale gemeenschap. Dan co-creatie: bewoners en stakeholders actief betrekken als fundament. En ten slotte: werken naar concrete actie met passende meetinstrumenten.
“
“Het gevaar is dat dergelijke termen leiden tot transition-washing. Transitiebegrippen worden ingezet om bestaand beleid een nieuw jasje te geven, zonder dat de onderliggende logica verandert.”
Ko Koens, lector New Urban Tourism bij Inholland
„
Acht stromingen, één beweging
De acht besproken benaderingen zijn niet gelijkwaardig in radicaliteit. De SDG’s en brede welvaart bewegen nog grotendeels binnen het bestaande groeiparadigma en zijn daarmee toegankelijker in de praktijk. Regeneratief toerisme, degrowth en doughnut economics stellen de grondslagen van dat paradigma fundamenteel ter discussie, maar zijn juist daardoor ook moeilijker te implementeren. Het rapport laat via het Three-Horizons-raamwerk zien hoe de verschillende benaderingen niet zozeer concurrenten zijn, maar eerder complementaire rollen vervullen in een geleidelijke transitie.
Elke aanpak heeft zijn sterke en zwakke kanten, afhankelijk van context, schaal en politieke realiteit. Daarom pleiten de onderzoekers voor ‘strategisch pluralisme’: een bewuste combinatie van benaderingen, afgestemd op het specifieke vraagstuk en het moment in de transitie. Een bestemming die net begint te twijfelen aan groeicijfers kiest een andere ingang dan een stad die bukt onder massatoerisme.
De praktijk loopt achter
De kloof tussen theorie en praktijk is opvallend. In de onderzochte Europese steden worden termen als ‘regeneratief toerisme’ of ‘degrowth’ regelmatig gebruikt, maar de onderliggende strategieën blijven conventioneel: betere spreiding van bezoekers, het aantrekken van ‘kwaliteitstoeristen’, hogere toeristenbelasting. Echte systeemvragen – wil je eigenlijk meer toeristen? past toerisme hier überhaupt? – worden zelden gesteld. “Het gevaar is dat dergelijke termen leiden tot transition-washing”, waarschuwt Ko. “Transitiebegrippen worden ingezet om bestaand beleid een nieuw jasje te geven, zonder dat de onderliggende logica verandert.”
Een tweede probleem is meten. KPI’s blijven gebaseerd op aantallen bezoekers, bestedingen en overnachtingen. Welzijn, sociale cohesie, ecologische draagkracht — het zijn zachte waarden die moeilijk te kwantificeren zijn, en dus buiten beeld blijven. De onderzoekers stellen ‘reflexief monitoren’ voor als alternatief: een cyclisch leerproces waarbij kwantitatieve data en kwalitatieve inzichten samen worden besproken door alle betrokkenen. Niet als externe controle, maar als onderdeel van het veranderingsproces zelf.
Nu is het moment
Het goede nieuws: er beweegt iets. Steeds meer bestemmingen erkennen dat toerisme meer is dan een economische motor. Bewoners tellen mee. Groei is niet langer heilig. De vraag verschuift van hoeveel naar voor wie en waartoe.
Maar erkenning is nog geen transitie. De onderzoekers adviseren: stop met debatteren over welke benadering de beste is. Analyseer je eigen context, kies een aanpak die past, ontwikkel concrete acties, zet een monitoringsproces op en betrek stakeholders gedurende het hele traject.
“De terminologie doet er minder toe dan de vraag of er echt iets verandert. En dat vraagt moed; van politici, beleidsmakers, DMO’s, ondernemers en onderzoekers. Want toerisme transitief maken is niet alleen een strategische keuze. Het is een maatschappelijke verantwoordelijkheid”, aldus Ko.
